Auteursarchief: Marcel Wick

HET LIED VAN OSKAR STAUPP

Reciteer, o Flamen van mijn Brein
Nu je gezangen voor je schrijn.
Wendt al je krachten voor mij aan,
Betwist nu de natuur haar baan.
Creëer een schimmenrijk, en leidt
Daarheen het stromen van de tijd
Maak het dan zompig, en verstik
De psychopompos in haar slik.

Aanroep de totems! Convoceer
De fetisjen van voedingsleer
Van autogordel, brandalarm,
Van sportschool en van beautyfarm,
Van stoplicht, slagboom, spoorwegsein,
Van reddingsvest en rookgordijn,
Vangnet, pickel, rubberzool,
Zwemband en alarmpistool:
Laat alles, alles samenzweren
Om Thanatos af te weren!

O verheven Chirurgen, aanbeden Doktoren,
Houdt wacht! Houdt wacht aan Uw monitoren!
Gooi Uw scalpels, Uw sondes, Uw scans in de strijd!
Geef mijn lijf niet ten prooi aan de slopende Tijd!
Met al Uw adviezen, elk vaderlijk woord
Over sport, frisse lucht, over eten en drinken,
Hoe dwaas of lachwekkend ze ook mogen klinken,
Verklaar ik mij hierbij bij voorbaat akkoord.
En wanneer Uw bekwaamheid soms machteloos staat,
Overtreft U zich dan in diepzinnige blik,
In bedachtzaam gemompel, in hoofdgeknik,
Maar wendt af! wendt af wat komen gaat!

Ontferm u onzer, Anesthetische Machten
Van breedbeeld-tv, van geile gedachten,
Van grootboek, van droedel en ezelsoor
Op makelaars- en assurantiekantoor,
Van achterklap, roddel, van koffiejuffrouw
Of Mozart in het Concertgebouw.
Een boterkoek, een kopje thee,
Een stripverhaal op de w.c.,
Een nieuwe fiets, een boormachine:
Alles, ieder ding kan dienen
Om even, heel even, te kunnen vergeten
Dat ook wij in het graf zullen worden gesmeten.

O, altijd zelfbegoochelend brein
Maak dat de gruwelijke Wolf verdwijnt
Uit mijn dwalende gedachten,
Uit mijn slapeloze nachten,
En zorg dat ik vergeten mag
Tot het laatste uur van mijn laatste dag,
Tot mijn allerlaatste ademstoot
Alles, alles van de dood!

Amen.

 

Marcellus Wick

HET LIED VAN DE HOVENIER

Wanneer de priester dan, ootmoedig, en met afgewende ogen
Het zwarte schaap de keel afsneed, en met het warme bloed de droge
Aarde drenkte, verdrong men zich om op de dorre grond te slaan
En smeekte, schreeuwend naar een verre god, om druiven en om graan.

Zo’n rite mag ons niet misleiden: ook in Ur of Pergamon
Schreef het Gezond Verstand al voor om, meer dan op een pantheon
Vol grilligheid, op irrigatie, ploeg en feces te vertrouwen.
Maar wie zou ‘t wagen om zijn god een heiligdom van mest te bouwen?

En ook wij, die nauwgezet van elke bodemsoort bekijken
Of we ze met fosfor, kalk, of molybdeen moeten verrijken
Zijn, veel eerder dan aan helium en waterstof, geneigd
Te denken aan Elagabal als groots de zon ten hemel stijgt.

En waarom niet? Een schilderij is niets: een vod van olie en textiel
En wat pigment, maar wat we zien, dat is de landman in zijn kiel
Die stil zijn schrale maaltijd eet. Twee ogen kijken naar hem op,
We ruiken turf, een vrouw schenkt stroperige koffie in een kop:

Het linnen is vergeten. Precies zoals de letters die je leest
Veel méér dan drukinkt zijn, zo wordt het doek een voertuig van de geest.
Is dan de zon niet méér dan dat: een grote bol van brandend gas
Waarvan het wezen is te vangen in formules of een bekerglas?

Wat zegt de molecuulstructuur van brons ons over het plastiek
Dat er van werd gegoten? Ongrijpbaar trilt de hemelse muziek
Van Apolloon in de atomen, en in de diepe, zwarte nacht
Van zijn verborgen rijk troont Hades nog, het raadsel van zijn macht

Onaangetast, en zichtbaar voor geen ander dan het geestesoog
Waarin het stof van deze wereld wordt tot wat het is: een boog
Van kleur als in een Rorschachtest: de vlekken inkt in zwart, in rood,
In blauw, worden een clown, een heiligbeen, een vlinder van de dood.

 

Marcellus Wick

HET LIED VAN DE TAXIDERMIST

Plantae, embryophyta, spermatopsida, magnoliophyta,
Magnoliopsida, ranunculales, ranunculaceae, aconitum,
en de soortnaam is te preciseren als vulparia.
En nu eens kijken wat de toxicologie ons nog kan leren
wat betreft haar aard, haar eigenschappen en de varia
aan krachten die men met haar toepassing zou kunnen genereren.

Aconitine is de stof die huist in deze kryptofiet,
een agressief neurotoxine dat zich bindt aan receptoren
op de Natrium+-kanalen in het celmembraan. Zo ziet
men hun inactivatie geblokkeerd en zullen zij, bevroren
in hun vlijt, de repolarisatie, nodig voor ’t herstellen
van de actiepotentiaal in de neuronen, gaan beletten,
en aldus de fibrillatie van het hart fataal versnellen.
Wetenschap kan zelfs creperen in een nuchter daglicht zetten.

Maar niettemin geeft deze kennis ons de macht om de rabauwen
van de dood te stoppen, of ze toch ten minste te weerstreven
in hun opmars. Maar komen zullen ze, en graaien dan de klauwen
van bacterie of metaboliet ten slotte naar ons leven,
hoe zal men dan de pijn benoemen? De ontreddering? Vermogen
we ontwrichting te ontleden? Kan neurowetenschap de loop
van radeloze doodsangst meten, of in grafieken het verhogen
van het lijden vergelijken met de mindering van hoop?

Noch traktaten vol oligodendrocyten, noch de schitter
van de bulbus olfactorius, die in barokke krullen
onduleert door schrandere descripties van de neurotransmitter
kunnen ons verblinden, of met hun gouden fonkeling verhullen
dat zij nog steeds de zwarte, meteloze diepten van de geest
niet kunnen peilen, en wij dus vertrouwen moeten bovenal
op God, Filosofie en Kunst, opdat het redeloze beest
dat in die afgrond op ons loert ons niet aan stukken scheuren zal.

 

Marcellus Wick

WIEGELIED

De dag is stiekem weggegaan.
Geruisloos is ze, fluisterzacht
Als door je vingers heen gegleden
In het duister van de nacht.
Nu is ze weg, en het beloken,
trouweloze schemerlicht
Vervreemdt nu de vertrouwde dingen.
Doe nu snel je ogen dicht
Want je moet slapen, slapen gaan,
Dromen van de lieve maan.

De dag is als op kousenvoeten
Weggeglipt, en langs de grauwe
Muren kruipt nu stil de nacht
Voorbij, maar kijk niet op! In ’t blauwe
Licht, de adem ingehouden,
Roerloos, haast onzichtbaar, staan
De schimmen daar en wachten,
Wachten. Slapen gaan!
Droom van iets: de zon, de maan,
Maar slapen moet je! Slapen gaan!

De dag is weg, en alles, alles
Is versmolten met de nacht
En ontzagwekkend staan de reuzen
Zwart en dreigend daar, de vacht
In ruige plukken op hun kale
Voze huid, en stil en groot
En onbewogen grijnzen ze
Hun rotte tanden bloot.
O, ga nu slapen! Slapen gaan!
Nu in godsnaam slapen gaan!

Marcellus Wick

HET LIED VAN CARLA

Hij stond aan haar bed. Een schaduw in het duister, nauwelijks te onderscheiden. Had ze hem in de ogen gekeken? Had ze zichzelf gezien, daarbinnen, in het grote licht, ver weg aan de ijle kim?
Twee ogen. Twee reusachtig grote ogen, de gitzwarte pupillen gloeiend, brandend in het bloeddoorlopen wit. Koortsig leek hij. Rusteloos en niet aflatend speurend naar het kleinste arm- of handgebaar; het minste, lichtste huiveren; het meest verdoken zenuwtrillen van een lip dat zich angstvallig voor zijn blikken te verbergen zocht.

Soms hield hij stil. Ineens. Dan kromde hij zijn rug
en legde zijn enorme oren in de nek
en luisterde naar dat, wat niemand scheen te horen
dan hij, en hij alleen. Dan wachtte, leek het, heel de aarde
stil, met ingehouden adem, als zijn oor van woord
naar fluister gleed, omzichtig vorsend elke zin,
gedachte, snik of jammerklacht, of het gesmoord
gerucht van hartenklop of onderdrukte zucht.

En dan, dan wreef hij in zijn handen. Groot en donker,
nee: reusachtig waren ze, zoals de poten
van een godvergeten beest uit oude fabels;
sagen; boeken van vergeeld papier, met nagels
lang en scherp en vol begeerte uitgeslagen
naar een huiverende wereld die bang, geschokt
dan voor hem wegkroop, radeloos, en zonder hoop.

En als ten slotte hij dan sprak, dan vulde donkerdroef
een stem vol spijt en weemoed je gedachten, en dan moest,
je moest wel naar hem luisteren; stil en lijdzaam
luisteren terwijl hij onbewogen dan
zijn woorden warm en fluisterzacht liet vallen,
vallen, eindeloos lang vallen in de zwarte nacht.

Reusachtig is zijn muil, met klittend haar vol bloed
waaruit een grote zwarte tong likt als hij glinsterend
zijn scherpe tanden bloot grijnst naar de lucht
vanwaar het duisterende licht haar allerlaatste
schijnsel vallen laat over het allerlaatste
ogenblik van angst, als hij nu komen gaat.

Het is de dood. De wolf: het vuige, rottende karkas
Van stinkend vlees, gebroken botten, pus en lijkengas.

Marcellus Wick

 

HET LIED VAN DE WOLF

Waken, slapen, dromen, dood…
is alles niet een dromen?
Gewichtloos als een fantasie;
waarachtig als een spiegeling
die groots haar schitter van fantomen
spreidt over een moddersloot?
Een glimlach ‘s nachts, een zucht: de waan
van liefde, het begeren
van erkenning, roem of macht:
Dat alles is een schimmenjacht;
de ijdelheid van triomferen
over een fictief bestaan.

Terwijl het lichaam zelf niet méér
Verlangt dan dat de spijsverteringswegen zijn verzadigd,
Bouwt het brein, in haar verbeten
Hunkeren de aard te weten van haar zijn, gestadig
Aan een wereld van illusie en verzinsel
En heerst almachtig in haar eigen hersenspinsel.

Zo wedijvert de telefoon
met televisiepredikant,
met beursbericht, met avondkrant,
met blaaskwintet op luide toon;
verwerkt de ambtenaar rapporten
over woningnood en sport,
en formuleren professoren
elk hun eigen disparate
nutteloze theorie,
terwijl het hazenhart zijn ezelsoren
hangen laat naar veinzende politici
en machtsbeluste psychopaten.

In het koesteren van priesters, dichters,
Narren en geleerden verschilt de mens van ‘t redeloos beest:
De logos is zijn wezen.
Maar het verstand heeft geen gewicht. Geen massa heeft de geest;
Geen vorm of inhoud: niets. En toch is ze bij machte
Te bestaan door enkel en alleen maar een gedachte.

Als dat zo is, waarom dan zoveel dagen
Nog die zware, loden floers
Van zinsbegoocheling verdragen?
Is ’t niet beter dan, dat ik je voer
Diep in de lange nacht die ligt
Voorbij dit leugenachtig droomgezicht?

Wees stil. Dat niets meer, geen geluid
Ons stoort als ik je ogen sluit.

 

Marcellus Wick

HET ANTI DONOR CODICIL

Dit is mijn lijf: de trouwste van mijn vrienden
en van allen de geliefdste. Geen
Die mij met groter overgave diende
Of met meer toewijding, dan hij alleen.
Hij was mijn stem, hij sprak steeds mijn gedachten.
Zijn handen maakten wat ik voor me zag.
Zijn wangen gloeiden, en zijn ogen lachten
Als hij mijn liedjes brulde door de lentedag.
Zijn ogen leerden mij de schoonheid kennen:
Het stralen van de dageraad; de schitter
Van het licht van met zijn voeten rennen
Door de branding, terwijl zijn longen schreeuwden
Naar de lucht om daar het hoog en bitter
Krijsen te verjagen van de meeuwen.

Hij liet me voelen op zijn naakte huid
Het warme zonlicht, zijn lippen leerden
Mij het zoute zweet; het toxisch kruid
Van lust dat hij zo roekeloos begeerde.
Toch sloeg zijn hart geen van zijn liefdevolle
Slagen dan voor mij, en mij alleen,
En samen dansten wij het lange, dolle
Jaargetij van jeugd en schoonheid heen.
Nu zijn wij moe. De zonbeschenen jaren
Van Arcadië zijn in de nacht
Verdwenen. Wij zijn niet langer die wij waren:
Het wild verlangen kwelt ons nu niet meer.
De liefde die ik voel voor hem is zachter
Nu, dan in de dagen van weleer.

Zachter, maar niet minder! En nu de tijd
Van afscheid nemen binnenkort zal komen
Ben ik bang voor hem, en ik verwijt
Me dat ík gaan mag in het land van dromen,
En hij hier achterblijven moet. Broos
En kwetsbaar zal hij liggen op een baar
Van roestvrij staal, naakt en machteloos.
Als je mij lief hebt, doe hem dan dit gebaar:
Laat hem gerust. Bedek hem met een laken
En laat hem dan zo achter. Maak geen gerucht,
Loop naar de deur. De vloer zal even kraken,
Hoe voorzichtig je ook doet, en wellicht
Lijkt het dan of hij nog éénmaal zucht,
Maar ga, en trek de deur achter je dicht.

Trek hem dicht! Dat ik je niet verwijten
Kan dat je zijn tere, bleke huid
Liet opensnijden; zijn borst uiteen liet rijten
Met het staal van spreiders; het geluid
Van brekend bot, van soppend vocht, van longen,
Lillend in het lege gat dat gapend
Achterbleef waar zij zich binnendrongen:
De Doktoren! Zwelgend in Rechtschapen
Naastenliefde, gretig hem te slachten
Als een varken voor wat afgedragen,
Sleetse ingewanden. De gedachte
Is zò wreed, zò gruwelijk bovenal,
Dat die ons onze laatste korte dagen
Samen haast ondraaglijk maken zal.

Marcellus Wick

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867 (11)

11 – EPILOOG

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867
En zo kwam Maximiliaan aan zijn einde. Zijn lichaam werd op onvakkundige wijze gebalsemd (we kunnen de onsmakelijke details weglaten) en tentoongesteld aan Jan Publiek. Alleen na herhaalde verzoeken uit Wenen was Juárez bereid om zijn prooi los te laten. Hij keerde terug op hetzelfde schip dat hem naar Mexico bracht, de SMS Novara, en werd met grote plechtigheid ontvangen in Triëste. Vandaar werd hij overgebracht naar Wenen, waar zijn overblijfselen nu rusten in de Kapuzinergruft.

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867
 
Almonte stierf kort na zijn keizer, op 13 mei 1869, als balling in Parijs.

 

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867
 

 

 
Juárez beleefde niet lang plezier aan zijn overwinning. Hij stierf aan een hartaanval op 22 juli 1872, belaagd door zijn eigen generaals, die ontevreden waren over zijn beleid.

 
 
 
 

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867
 
Tijdens het Eerste Vaticaans Concilie liet Pius IX zich onfeilbaar verklaren. Het “risorgimento” hield hij er niet mee tegen: in 1870 werd de stad Rome ingelijfd in de nieuwe Italiaanse staat. Vanaf dat moment tot aan zijn dood acht jaar later weigerde Pius om nog één stap buiten zijn Vaticaan te zetten. Iedere poging van de Italiaanse regering om tot een vergelijk te komen kon rekenen op zijn favoriete antwoord: “non possumus”.

 

 
 

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867
Bazaine kreeg het commando over het Leger van de Rijn tijdens de Frans-Pruisische oorlog van 1870. Zijn inschatting van de situatie bleek juister dan die van zijn baas: “We marcheren op een ramp af”. Nadat de oorlog was verloren werd hij naar voren geschoven als de zondebok. Zijn doodvonnis werd omgezet in 20 jaar gevangenschap op het eilandje Sainte-Marguerite. Hij ontsnapte en eindigde zijn leven in eenzaamheid en armoede in Spanje, waar hij dood werd aangetroffen in zijn logement op 20 september 1888.

 

 

 
 

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867
Napoleon stierf ook in een vreemd bed. Na de oorlog met Pruisen te hebben verloren, verloor hij ook zijn kroon en ging in ballingschap in Engeland. De keizer stierf op 9 januari 1873 onder de handen van zijn doktoren tijdens een poging om een niersteen te breken.

 

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867
 
Zijn keizerin Eugénie overleefde hem 47 lange jaren van ballingschap en rouw. Niet alleen voor haar echtgenoot, maar ook voor hun enige zoon, de ‘Prince Impérial’, die werd gedood in een oorlog met de Zoeloes. Ze stierf in 1920 en werd bijgezet in St Michael’s Abbey, Farnborough, een klooster dat ze had gesticht als mausoleum voor haar man en haar zoon.

 

 

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867
 

 
Frans-Jozef stierf net op tijd om zijn rijk niet ten onder te hoeven zien gaan. Hij overleed op 21 november 1916, in het midden van de Grote Oorlog, na 68 jaar te hebben geregeerd.

 

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867

 

 
Toen hij volwassen werd deed de Prins van Iturbide, Maximiliaan’s beoogde opvolger, afstand van zijn rechten op de troon en volgde een loopbaan in het Mexicaanse leger. Later ging hij naar het geboorteland van zijn moeder, de Verenigde Staten, waar hij werkte als professor Spaans en Frans aan de Universiteit van Georgetown. Hij stierf in 1925.

 

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867De arme “zotte Charlotte” overleefde ze allemaal. Ze werd vanuit Miramar teruggebracht naar België, waar ze 10 jaar lang het kasteel van Tervuren bewoonde totdat het tot de grond toe afbrandde. “Hoe prachtig !” riep ze uit, terwijl ze naar de vlammen keek. Haar broer kocht voor haar het kasteel van Bouchout te Meise, waar ze de rest van haar leven doorbracht. Er werd verteld dat ze een klein popje liefkoosde, dat ze “Max” noemde. Ze stierf op 19 januari 1927, 86 jaar oud, en vond eindelijk rust in de koninklijke crypte van de O.L.V. van Laken.

 

 

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867

 

 
En met haar verdween de laatste acteur in deze tagedie van ambitie, hebzucht en dwaasheid.

 

 

 

©2010, Marcel Wick

vorige pagina

volgende pagina

INHOUDSOPGAVE

 

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867 (10/2)

10 – HET EINDE (2)

“Todo es inutil”. Alles is zinloos. Maximiliaan is nu vastbesloten. Hij zal afstand doen. Hij schrijft aan zijn jongere broer: “Ik kwam hier onder druk van Charlotte. Zonder haar, waarom blijven? Ik heb geen erfgenaam en geen moed meer”. Maar de volgende dag herinnert hij zich zijn Eer als Prins van Huis van Habsburg en schrijft een tweede brief, waarin hij zegt dat hij zijn “plicht zal doen tot het einde”. En bovenop zijn eer zijn er zijn adviseurs: mannen die niets te winnen, maar alles te verliezen hebben als hij af zou treden. Iedereen die banden heeft met het keizerrijk zal moeten bloeden als de republikeinen aan de macht komen. Het dreigement van Juárez om iedereen te vermoorden die met de Fransen collaboreert wordt door zijn soldaten enthousiast in praktijk gebracht.

Dan stelt Félix Eloin een uitweg voor uit de ellende. Abdicatie voordat de Fransen vertrokken zijn beschouwt hij als oneervol. Als de Fransen eenmaal weg zijn, kan de keizer het volk laten stemmen over de monarchie. In het geval van een “neen” kan hij met behoud van eer terugkeren naar Europa, waar hij zelfs nog een belangrijke rol zou kunnen spelen: toen hij in Oostenrijk was bespeurde Eloin een algemeen gevoel van onvrede. Frans-Jozef is ontmoedigd en het volk eist zijn aftreden. Maximiliaan kan, weet hij, rekenen op sympathie.

Het document had zeer geheim en strikt vertrouwelijk moeten blijven, maar het valt in de handen van de Amerikanen die het met kwaadaardig genoegen openbaar maken. Niet in het laatst omdat het een aantal pijnlijke details bevat over Napoleon’s ziektes: de arme man sukkelt met nierstenen en prostaatinfecties. Uiteraard ziet noch de Franse, noch de Oostenrijkse keizer er de lol van in, maar de brief heeft effect: Maximiliaan besluit gedecideerd dat hij dan misschien toch eventueel wellicht maar beter nog even aan kan blijven.

In oktober stuurt Napoleon zijn persoonlijke adjudant, generaal Castelnau, naar Mexico met volmacht om Bazaine indien nodig terzijde te schuiven. Zijn taak is het om vaart te zetten achter het vertrek. Hij moet de troepen inschepen, het keizerrijk opheffen en Maximiliaan ervan overtuigen dat hij af moet treden. De weifelende keizer veroorzaakt irritatie in Washington en brengt Parijs in verlegenheid. Het kan zelfs gevaarlijk worden: in de V.S. begint men zich af te vragen of Napoleon zijn woord wel zal houden.

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867
Om puur militaire redenen heeft de Franse keizer besloten om zijn troepen in één keer in te schepen, omdat het plan om het leger in drie delen terug te trekken grote risico’s zou opleveren voor het laatste contingent. De evacuatie gaat dus vier maanden later beginnen, maar zal acht maanden eerder voltooid zijn. Ondanks Napoleon’s bevelen heeft niemand de Amerikaanse regering formeel op de hoogte gesteld van deze wijziging in de plannen, maar gelukkig onderscheppen ze een telegram van Napoleon aan Castelnau: “Uw bericht van de negende december ontvangen. Dwing de keizer niet om af te treden, maar stel het vertrek van de troepen niet uit; repatrieer allen behalve hen die niet wensen terug te keren. De meeste schepen zijn vertrokken. NAPOLEON.”

De Amerikanen kunnen gerustgesteld achterover leunen. De volledige Franse troepenmacht vertrekt, en als de Fransen weg zijn heeft Maximiliaan, zelfs als hij besluit om te proberen zijn troon te behouden, geen schijn van kans tegen de Liberalen. De Europese dreiging op Amerikaanse bodem is voorbij.

Ondertussen weigert Maximiliaan botweg om Castelnau te ontvangen. Na maandenlang twijfelen tussen aanblijven of aftreden is hij tot de conclusie gekomen dat het het beste is als de beslissing voor hem wordt gemaakt. Maar niet door de Fransen. Op 14 januari komt een junta van notabelen bijeen, waarbij ook Bazaine is uitgenodigd. De maarschalk vertelt klip en klaar dat ze de regering beter aan een ander kunnen overlaten en verlaat de vergadering, die hij bestempelt als “een grote flauwe kul”. Dan stemmen de notabelen. Van de 33 leden stemmen er 7 voor abdicatie, 17 tegen, en 9 halen hun schouders op. Zo wordt het lot van Maximiliaan bezegelt.

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867
Er gaapt een diepe kloof tussen de trotse Aartshertog van Miramar met zijn nobele woorden dat “een Habsburg nooit een troon usurpeert” en deze besluiteloze harlekijn. Vanaf nu kan hij niet langer pretenderen de vorst van alle Mexicanen te zijn: hij is de leider geworden van de conservatieve factie.

Terwijl iedereen die met het keizerrijk van doen heeft gehad de hoofdstad ontvlucht, keert Maximiliaan terug, vergezeld door generaal Marquez, die zijn bijnaam van “Hyena van Tacubaya” heeft verdiend met het vermoorden van zijn eigen medische staf, die het gewaagd had gewonde republikeinse soldaten te verzorgen. Op 5 februari 1867, verscholen achter de balustrade van zijn paleis, kijkt de keizer van Mexico hoe de Fransen hun vlag strijken en afmarcheren. “Eindelijk zijn we vrij!” roept hij uit.

En nu, nu de teerling is geworpen en zijn schepen zijn verbrand, begrijpt zelfs Maximiliaan dat er geen tijd meer is voor getreuzel. Er moet actie worden ondernomen. Zijn eerste minister, Teodosio Lares, heeft hem $ 4.000.000 beloofd voor zijn oorlogskas. Maar nu blijkt dat die vier miljoen gebaseerd zijn op de hoop van de opbrengsten van een loterij. Niet meer dan 600.000 piasters, ongeveer 50.000 dollar, kunnen bij elkaar geschraapt worden met het afpersen van de bevolking. Wie niet betaalt wordt in de gevangenis gegooid. Met dezelfde methodes worden 8000 mannen ingelijfd in het leger. Samen met de troepen van de generaals Miramón, Mendez en Mejia, en de Europeanen die achter zijn gebleven, beschikt de keizer nu over een strijdmacht van ongeveer 16.000 man. Daarmee moet hij het hoofd bieden aan de 60.000 van Juárez, en zíjn leger groeit met de dag.

Op 13 februari verlaat Maximiliaan de hoofdstad en gaat naar Querétaro, waar hij op 4 maart arriveert. De republikeinen slaan het beleg. Op de 15de mei, na twee maanden weerstand te hebben geboden, geeft hij zich over. Hij wordt opgesloten en berecht door een militaire rechtbank. In overeenstemming met zijn eigen “zwarte decreet” wordt hij ter dood veroordeeld, als een rebel die gewapend verzet pleegde tegen een wettige regering.

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867

Op 19 juni 1867 wordt Maximiliaan, samen met de generaals Miramón en Mejia, door een vuurpeloton doodgeschoten. Hij sterft, het moet gezegd worden, met eer, zoals het de laatste Keizer van Mexico betaamt.

 

©2010, Marcel Wick

vorige pagina

volgende pagina

INHOUDSOPGAVE

 

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867 (10/1)

10 – HET EINDE

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867

De republikeinen hebben met hernieuwde kracht het offensief hervat. Guadalajara valt in handen van generaal Uraga, en in juli gaan Matamoras, Monterey en de havenstad Tampico verloren, en daarmee de helft van de inkomsten van het keizerrijk. Bittere gevoelens verscheuren het imperialistische kamp na deze nieuwe tegenslagen. Iedereen beschuldigt elkaar van het spelen van dubbel spel met de Verenigde Staten. De Mexicanen beschuldigen de Fransen ervan het land te willen overdragen aan de Liberalen, en de Fransen verwijten de imperialisten dat ze allerlei complicaties veroorzaken om Frankrijk nog verder te verstrikken in Mexicaanse zaken.

Om er zeker van te zijn dat er niet nòg meer verloren gaat beveelt Bazaine de bezetting van het douanekantoor van Vera Cruz. Maximiliaan is woedend. De animositeit bereikt het punt van openlijke vijandigheid. In een brief aan Eloin van 29 mei 1866 schrijft hij: “De maarschalk doet, uit luiheid of kwaadwilligheid, niets, zoals hij nooit iets heeft gedaan, om het nationale leger te organiseren sinds de vier jaren die hij al in Mexico heeft doorgebracht. Ikzelf heb persoonlijk de directie in handen genomen, en ik verplicht de maarschalk om een- of tweemaal per week de militaire raad bij te wonen die ik voorzit. Ik neem mij voor om keizer Napoleon, in amicale brieven, de notulen van deze zittingen te zenden, zodat hij eindelijk duidelijk kan zien wie hier werkt en wie hier niets doen.” en: “Nu ziet men duidelijk wie alleen de schuld draagt, en waarom we tot op heden nog geen nationaal leger hebben kunnen oprichten”.

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867 Veel te laat, nu de republikeinen zo ongeveer op zijn stoep staan, heeft Maximiliaan besloten om een nationaal leger op poten te zetten. Niet dat hij bij zinnen is gekomen: ook de rest van de brief is die van een man die het contact met de realiteit volledig heeft verloren. “Op 6 juli verschijnen de nieuwe munten, waarvan de matrijs zoveel moeite heeft gekost, maar die zo mooi zullen zijn dat weinig landen zulk een goede munt zullen hebben”. Vanaf de wankelende troon van zijn failliete rijk, tot aan zijn enkels in het bloed, staat deze arme, incompetente dwaas over zijn nieuwe munten te juichen.

Maar wanneer later die maand Napoleon zonder omwegen het einde van de Franse interventie aankondigt, lijken ten slotte dan toch de schellen van zijn ogen te vallen. Hij is bereid om afstand te doen. Hij is vastbesloten om afstand te doen.

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867Maar Charlotte is nog steeds in sprookjesland. Waar vertegenwoordigers en brieven niets kunnen bereiken, zo redeneert ze, zal de persoonlijke aanpak zeker succes hebben. Als zij nu eens naar Parijs zou gaan om persoonlijk met Hunne Majesteiten te spreken, dan zou er vast wel een manier gevonden worden om het keizerrijk te redden. Max is net zo gemakkelijk overtuigd als altijd. Op 9 juli vertrekt de keizerin naar Europa, Max achterlatend met een lange vermaning om niet af te treden: “Karel X en mijn grootvader (Louis-Philippe) waren zelf verloren door afstand te doen. (…) afstand doen is zijn eigen veroordeling uitspreken, zichzelf een brevet van onvermogen geven. Het is alleen toelaatbaar in de ouden of de zwakken van geest (…) Dat alles is een Prins van het Huis van Habsburg niet waardig.”

In Parijs redetwist, bezweert en argumenteert Charlotte, maar het is allemaal, natuurlijk, zinloos. Napoleon heeft lang geleden al besloten om de stekker eruit te trekken. “Geen sou, geen man meer voor Mexico”. Charlotte neemt dan de trein naar Rome, om nòg maar eens te proberen om een concordaat met de paus te sluiten en om hem te vragen om Napoleon te pressen om zijn woord te houden. Maar nu Victor Emmanuel op zijn eigen voordeur staat te bonken kan Zijne Heiligheid het zich niet veroorloven om de Fransen te ergeren. Het blijft “non possumus”.

De spanning van haar onsuccesvolle, wanhopige missie; de uitputting van het jarenlang voeren van een verloren strijd; de stress van een ongelukkig huwelijk; wat de oorzaak ook moge zijn, ze stort in. De arme vrouw krijgt een volledige zenuwinzinking en wordt onder medisch toezicht opgesloten in het kasteel van Miramar. Haar laatste telegram aan Maximiliaan luidt: “Todo es inutil”.
 

©2010, Marcel Wick

vorige pagina

volgende pagina

INHOUDSOPGAVE