Categoriearchief: gedichten

HET LIED VAN OSKAR STAUPP

Reciteer, o Flamen van mijn Brein
Nu je gezangen voor je schrijn.
Wendt al je krachten voor mij aan,
Betwist nu de natuur haar baan.
Creëer een schimmenrijk, en leidt
Daarheen het stromen van de tijd
Maak het dan zompig, en verstik
De psychopompos in haar slik.

Aanroep de totems! Convoceer
De fetisjen van voedingsleer
Van autogordel, brandalarm,
Van sportschool en van beautyfarm,
Van stoplicht, slagboom, spoorwegsein,
Van reddingsvest en rookgordijn,
Vangnet, pickel, rubberzool,
Zwemband en alarmpistool:
Laat alles, alles samenzweren
Om Thanatos af te weren!

O verheven Chirurgen, aanbeden Doktoren,
Houdt wacht! Houdt wacht aan Uw monitoren!
Gooi Uw scalpels, Uw sondes, Uw scans in de strijd!
Geef mijn lijf niet ten prooi aan de slopende Tijd!
Met al Uw adviezen, elk vaderlijk woord
Over sport, frisse lucht, over eten en drinken,
Hoe dwaas of lachwekkend ze ook mogen klinken,
Verklaar ik mij hierbij bij voorbaat akkoord.
En wanneer Uw bekwaamheid soms machteloos staat,
Overtreft U zich dan in diepzinnige blik,
In bedachtzaam gemompel, in hoofdgeknik,
Maar wendt af! wendt af wat komen gaat!

Ontferm u onzer, Anesthetische Machten
Van breedbeeld-tv, van geile gedachten,
Van grootboek, van droedel en ezelsoor
Op makelaars- en assurantiekantoor,
Van achterklap, roddel, van koffiejuffrouw
Of Mozart in het Concertgebouw.
Een boterkoek, een kopje thee,
Een stripverhaal op de w.c.,
Een nieuwe fiets, een boormachine:
Alles, ieder ding kan dienen
Om even, heel even, te kunnen vergeten
Dat ook wij in het graf zullen worden gesmeten.

O, altijd zelfbegoochelend brein
Maak dat de gruwelijke Wolf verdwijnt
Uit mijn dwalende gedachten,
Uit mijn slapeloze nachten,
En zorg dat ik vergeten mag
Tot het laatste uur van mijn laatste dag,
Tot mijn allerlaatste ademstoot
Alles, alles van de dood!

Amen.

 

Marcellus Wick

HET LIED VAN DE HOVENIER

Wanneer de priester dan, ootmoedig, en met afgewende ogen
Het zwarte schaap de keel afsneed, en met het warme bloed de droge
Aarde drenkte, verdrong men zich om op de dorre grond te slaan
En smeekte, schreeuwend naar een verre god, om druiven en om graan.

Zo’n rite mag ons niet misleiden: ook in Ur of Pergamon
Schreef het Gezond Verstand al voor om, meer dan op een pantheon
Vol grilligheid, op irrigatie, ploeg en feces te vertrouwen.
Maar wie zou ‘t wagen om zijn god een heiligdom van mest te bouwen?

En ook wij, die nauwgezet van elke bodemsoort bekijken
Of we ze met fosfor, kalk, of molybdeen moeten verrijken
Zijn, veel eerder dan aan helium en waterstof, geneigd
Te denken aan Elagabal als groots de zon ten hemel stijgt.

En waarom niet? Een schilderij is niets: een vod van olie en textiel
En wat pigment, maar wat we zien, dat is de landman in zijn kiel
Die stil zijn schrale maaltijd eet. Twee ogen kijken naar hem op,
We ruiken turf, een vrouw schenkt stroperige koffie in een kop:

Het linnen is vergeten. Precies zoals de letters die je leest
Veel méér dan drukinkt zijn, zo wordt het doek een voertuig van de geest.
Is dan de zon niet méér dan dat: een grote bol van brandend gas
Waarvan het wezen is te vangen in formules of een bekerglas?

Wat zegt de molecuulstructuur van brons ons over het plastiek
Dat er van werd gegoten? Ongrijpbaar trilt de hemelse muziek
Van Apolloon in de atomen, en in de diepe, zwarte nacht
Van zijn verborgen rijk troont Hades nog, het raadsel van zijn macht

Onaangetast, en zichtbaar voor geen ander dan het geestesoog
Waarin het stof van deze wereld wordt tot wat het is: een boog
Van kleur als in een Rorschachtest: de vlekken inkt in zwart, in rood,
In blauw, worden een clown, een heiligbeen, een vlinder van de dood.

 

Marcellus Wick

HET LIED VAN DE TAXIDERMIST

Plantae, embryophyta, spermatopsida, magnoliophyta,
Magnoliopsida, ranunculales, ranunculaceae, aconitum,
en de soortnaam is te preciseren als vulparia.
En nu eens kijken wat de toxicologie ons nog kan leren
wat betreft haar aard, haar eigenschappen en de varia
aan krachten die men met haar toepassing zou kunnen genereren.

Aconitine is de stof die huist in deze kryptofiet,
een agressief neurotoxine dat zich bindt aan receptoren
op de Natrium+-kanalen in het celmembraan. Zo ziet
men hun inactivatie geblokkeerd en zullen zij, bevroren
in hun vlijt, de repolarisatie, nodig voor ’t herstellen
van de actiepotentiaal in de neuronen, gaan beletten,
en aldus de fibrillatie van het hart fataal versnellen.
Wetenschap kan zelfs creperen in een nuchter daglicht zetten.

Maar niettemin geeft deze kennis ons de macht om de rabauwen
van de dood te stoppen, of ze toch ten minste te weerstreven
in hun opmars. Maar komen zullen ze, en graaien dan de klauwen
van bacterie of metaboliet ten slotte naar ons leven,
hoe zal men dan de pijn benoemen? De ontreddering? Vermogen
we ontwrichting te ontleden? Kan neurowetenschap de loop
van radeloze doodsangst meten, of in grafieken het verhogen
van het lijden vergelijken met de mindering van hoop?

Noch traktaten vol oligodendrocyten, noch de schitter
van de bulbus olfactorius, die in barokke krullen
onduleert door schrandere descripties van de neurotransmitter
kunnen ons verblinden, of met hun gouden fonkeling verhullen
dat zij nog steeds de zwarte, meteloze diepten van de geest
niet kunnen peilen, en wij dus vertrouwen moeten bovenal
op God, Filosofie en Kunst, opdat het redeloze beest
dat in die afgrond op ons loert ons niet aan stukken scheuren zal.

 

Marcellus Wick

HET LIED VAN CARLA

Hij stond aan haar bed. Een schaduw in het duister, nauwelijks te onderscheiden. Had ze hem in de ogen gekeken? Had ze zichzelf gezien, daarbinnen, in het grote licht, ver weg aan de ijle kim?
Twee ogen. Twee reusachtig grote ogen, de gitzwarte pupillen gloeiend, brandend in het bloeddoorlopen wit. Koortsig leek hij. Rusteloos en niet aflatend speurend naar het kleinste arm- of handgebaar; het minste, lichtste huiveren; het meest verdoken zenuwtrillen van een lip dat zich angstvallig voor zijn blikken te verbergen zocht.

Soms hield hij stil. Ineens. Dan kromde hij zijn rug
en legde zijn enorme oren in de nek
en luisterde naar dat, wat niemand scheen te horen
dan hij, en hij alleen. Dan wachtte, leek het, heel de aarde
stil, met ingehouden adem, als zijn oor van woord
naar fluister gleed, omzichtig vorsend elke zin,
gedachte, snik of jammerklacht, of het gesmoord
gerucht van hartenklop of onderdrukte zucht.

En dan, dan wreef hij in zijn handen. Groot en donker,
nee: reusachtig waren ze, zoals de poten
van een godvergeten beest uit oude fabels;
sagen; boeken van vergeeld papier, met nagels
lang en scherp en vol begeerte uitgeslagen
naar een huiverende wereld die bang, geschokt
dan voor hem wegkroop, radeloos, en zonder hoop.

En als ten slotte hij dan sprak, dan vulde donkerdroef
een stem vol spijt en weemoed je gedachten, en dan moest,
je moest wel naar hem luisteren; stil en lijdzaam
luisteren terwijl hij onbewogen dan
zijn woorden warm en fluisterzacht liet vallen,
vallen, eindeloos lang vallen in de zwarte nacht.

Reusachtig is zijn muil, met klittend haar vol bloed
waaruit een grote zwarte tong likt als hij glinsterend
zijn scherpe tanden bloot grijnst naar de lucht
vanwaar het duisterende licht haar allerlaatste
schijnsel vallen laat over het allerlaatste
ogenblik van angst, als hij nu komen gaat.

Het is de dood. De wolf: het vuige, rottende karkas
Van stinkend vlees, gebroken botten, pus en lijkengas.

Marcellus Wick

 

HET LIED VAN DE WOLF

Waken, slapen, dromen, dood…
is alles niet een dromen?
Gewichtloos als een fantasie;
waarachtig als een spiegeling
die groots haar schitter van fantomen
spreidt over een moddersloot?
Een glimlach ‘s nachts, een zucht: de waan
van liefde, het begeren
van erkenning, roem of macht:
Dat alles is een schimmenjacht;
de ijdelheid van triomferen
over een fictief bestaan.

Terwijl het lichaam zelf niet méér
Verlangt dan dat de spijsverteringswegen zijn verzadigd,
Bouwt het brein, in haar verbeten
Hunkeren de aard te weten van haar zijn, gestadig
Aan een wereld van illusie en verzinsel
En heerst almachtig in haar eigen hersenspinsel.

Zo wedijvert de telefoon
met televisiepredikant,
met beursbericht, met avondkrant,
met blaaskwintet op luide toon;
verwerkt de ambtenaar rapporten
over woningnood en sport,
en formuleren professoren
elk hun eigen disparate
nutteloze theorie,
terwijl het hazenhart zijn ezelsoren
hangen laat naar veinzende politici
en machtsbeluste psychopaten.

In het koesteren van priesters, dichters,
Narren en geleerden verschilt de mens van ‘t redeloos beest:
De logos is zijn wezen.
Maar het verstand heeft geen gewicht. Geen massa heeft de geest;
Geen vorm of inhoud: niets. En toch is ze bij machte
Te bestaan door enkel en alleen maar een gedachte.

Als dat zo is, waarom dan zoveel dagen
Nog die zware, loden floers
Van zinsbegoocheling verdragen?
Is ’t niet beter dan, dat ik je voer
Diep in de lange nacht die ligt
Voorbij dit leugenachtig droomgezicht?

Wees stil. Dat niets meer, geen geluid
Ons stoort als ik je ogen sluit.

 

Marcellus Wick

HET ANTI DONOR CODICIL

Dit is mijn lijf: de trouwste van mijn vrienden
en van allen de geliefdste. Geen
Die mij met groter overgave diende
Of met meer toewijding, dan hij alleen.
Hij was mijn stem, hij sprak steeds mijn gedachten.
Zijn handen maakten wat ik voor me zag.
Zijn wangen gloeiden, en zijn ogen lachten
Als hij mijn liedjes brulde door de lentedag.
Zijn ogen leerden mij de schoonheid kennen:
Het stralen van de dageraad; de schitter
Van het licht van met zijn voeten rennen
Door de branding, terwijl zijn longen schreeuwden
Naar de lucht om daar het hoog en bitter
Krijsen te verjagen van de meeuwen.

Hij liet me voelen op zijn naakte huid
Het warme zonlicht, zijn lippen leerden
Mij het zoute zweet; het toxisch kruid
Van lust dat hij zo roekeloos begeerde.
Toch sloeg zijn hart geen van zijn liefdevolle
Slagen dan voor mij, en mij alleen,
En samen dansten wij het lange, dolle
Jaargetij van jeugd en schoonheid heen.
Nu zijn wij moe. De zonbeschenen jaren
Van Arcadië zijn in de nacht
Verdwenen. Wij zijn niet langer die wij waren:
Het wild verlangen kwelt ons nu niet meer.
De liefde die ik voel voor hem is zachter
Nu, dan in de dagen van weleer.

Zachter, maar niet minder! En nu de tijd
Van afscheid nemen binnenkort zal komen
Ben ik bang voor hem, en ik verwijt
Me dat ík gaan mag in het land van dromen,
En hij hier achterblijven moet. Broos
En kwetsbaar zal hij liggen op een baar
Van roestvrij staal, naakt en machteloos.
Als je mij lief hebt, doe hem dan dit gebaar:
Laat hem gerust. Bedek hem met een laken
En laat hem dan zo achter. Maak geen gerucht,
Loop naar de deur. De vloer zal even kraken,
Hoe voorzichtig je ook doet, en wellicht
Lijkt het dan of hij nog éénmaal zucht,
Maar ga, en trek de deur achter je dicht.

Trek hem dicht! Dat ik je niet verwijten
Kan dat je zijn tere, bleke huid
Liet opensnijden; zijn borst uiteen liet rijten
Met het staal van spreiders; het geluid
Van brekend bot, van soppend vocht, van longen,
Lillend in het lege gat dat gapend
Achterbleef waar zij zich binnendrongen:
De Doktoren! Zwelgend in Rechtschapen
Naastenliefde, gretig hem te slachten
Als een varken voor wat afgedragen,
Sleetse ingewanden. De gedachte
Is zò wreed, zò gruwelijk bovenal,
Dat die ons onze laatste korte dagen
Samen haast ondraaglijk maken zal.

Marcellus Wick