HET ANTI DONOR CODICIL

Dit is mijn lijf: de trouwste van mijn vrienden
en van allen de geliefdste. Geen
Die mij met groter overgave diende
Of met meer toewijding, dan hij alleen.
Hij was mijn stem, hij sprak steeds mijn gedachten.
Zijn handen maakten wat ik voor me zag.
Zijn wangen gloeiden, en zijn ogen lachten
Als hij mijn liedjes brulde door de lentedag.
Zijn ogen leerden mij de schoonheid kennen:
Het stralen van de dageraad; de schitter
Van het licht van met zijn voeten rennen
Door de branding, terwijl zijn longen schreeuwden
Naar de lucht om daar het hoog en bitter
Krijsen te verjagen van de meeuwen.

Hij liet me voelen op zijn naakte huid
Het warme zonlicht, zijn lippen leerden
Mij het zoute zweet; het toxisch kruid
Van lust dat hij zo roekeloos begeerde.
Toch sloeg zijn hart geen van zijn liefdevolle
Slagen dan voor mij, en mij alleen,
En samen dansten wij het lange, dolle
Jaargetij van jeugd en schoonheid heen.
Nu zijn wij moe. De zonbeschenen jaren
Van Arcadië zijn in de nacht
Verdwenen. Wij zijn niet langer die wij waren:
Het wild verlangen kwelt ons nu niet meer.
De liefde die ik voel voor hem is zachter
Nu, dan in de dagen van weleer.

Zachter, maar niet minder! En nu de tijd
Van afscheid nemen binnenkort zal komen
Ben ik bang voor hem, en ik verwijt
Me dat ík gaan mag in het land van dromen,
En hij hier achterblijven moet. Broos
En kwetsbaar zal hij liggen op een baar
Van roestvrij staal, naakt en machteloos.
Als je mij lief hebt, doe hem dan dit gebaar:
Laat hem gerust. Bedek hem met een laken
En laat hem dan zo achter. Maak geen gerucht,
Loop naar de deur. De vloer zal even kraken,
Hoe voorzichtig je ook doet, en wellicht
Lijkt het dan of hij nog éénmaal zucht,
Maar ga, en trek de deur achter je dicht.

Trek hem dicht! Dat ik je niet verwijten
Kan dat je zijn tere, bleke huid
Liet opensnijden; zijn borst uiteen liet rijten
Met het staal van spreiders; het geluid
Van brekend bot, van soppend vocht, van longen,
Lillend in het lege gat dat gapend
Achterbleef waar zij zich binnendrongen:
De Doktoren! Zwelgend in Rechtschapen
Naastenliefde, gretig hem te slachten
Als een varken voor wat afgedragen,
Sleetse ingewanden. De gedachte
Is zò wreed, zò gruwelijk bovenal,
Dat die ons onze laatste korte dagen
Samen haast ondraaglijk maken zal.

Marcellus Wick