HET LIED VAN CARLA

Hij stond aan haar bed. Een schaduw in het duister, nauwelijks te onderscheiden. Had ze hem in de ogen gekeken? Had ze zichzelf gezien, daarbinnen, in het grote licht, ver weg aan de ijle kim?
Twee ogen. Twee reusachtig grote ogen, de gitzwarte pupillen gloeiend, brandend in het bloeddoorlopen wit. Koortsig leek hij. Rusteloos en niet aflatend speurend naar het kleinste arm- of handgebaar; het minste, lichtste huiveren; het meest verdoken zenuwtrillen van een lip dat zich angstvallig voor zijn blikken te verbergen zocht.

Soms hield hij stil. Ineens. Dan kromde hij zijn rug
en legde zijn enorme oren in de nek
en luisterde naar dat, wat niemand scheen te horen
dan hij, en hij alleen. Dan wachtte, leek het, heel de aarde
stil, met ingehouden adem, als zijn oor van woord
naar fluister gleed, omzichtig vorsend elke zin,
gedachte, snik of jammerklacht, of het gesmoord
gerucht van hartenklop of onderdrukte zucht.

En dan, dan wreef hij in zijn handen. Groot en donker,
nee: reusachtig waren ze, zoals de poten
van een godvergeten beest uit oude fabels;
sagen; boeken van vergeeld papier, met nagels
lang en scherp en vol begeerte uitgeslagen
naar een huiverende wereld die bang, geschokt
dan voor hem wegkroop, radeloos, en zonder hoop.

En als ten slotte hij dan sprak, dan vulde donkerdroef
een stem vol spijt en weemoed je gedachten, en dan moest,
je moest wel naar hem luisteren; stil en lijdzaam
luisteren terwijl hij onbewogen dan
zijn woorden warm en fluisterzacht liet vallen,
vallen, eindeloos lang vallen in de zwarte nacht.

Reusachtig is zijn muil, met klittend haar vol bloed
waaruit een grote zwarte tong likt als hij glinsterend
zijn scherpe tanden bloot grijnst naar de lucht
vanwaar het duisterende licht haar allerlaatste
schijnsel vallen laat over het allerlaatste
ogenblik van angst, als hij nu komen gaat.

Het is de dood. De wolf: het vuige, rottende karkas
Van stinkend vlees, gebroken botten, pus en lijkengas.

Marcellus Wick