HET LIED VAN DE HOVENIER

Wanneer de priester dan, ootmoedig, en met afgewende ogen
Het zwarte schaap de keel afsneed, en met het warme bloed de droge
Aarde drenkte, verdrong men zich om op de dorre grond te slaan
En smeekte, schreeuwend naar een verre god, om druiven en om graan.

Zo’n rite mag ons niet misleiden: ook in Ur of Pergamon
Schreef het Gezond Verstand al voor om, meer dan op een pantheon
Vol grilligheid, op irrigatie, ploeg en feces te vertrouwen.
Maar wie zou ‘t wagen om zijn god een heiligdom van mest te bouwen?

En ook wij, die nauwgezet van elke bodemsoort bekijken
Of we ze met fosfor, kalk, of molybdeen moeten verrijken
Zijn, veel eerder dan aan helium en waterstof, geneigd
Te denken aan Elagabal als groots de zon ten hemel stijgt.

En waarom niet? Een schilderij is niets: een vod van olie en textiel
En wat pigment, maar wat we zien, dat is de landman in zijn kiel
Die stil zijn schrale maaltijd eet. Twee ogen kijken naar hem op,
We ruiken turf, een vrouw schenkt stroperige koffie in een kop:

Het linnen is vergeten. Precies zoals de letters die je leest
Veel méér dan drukinkt zijn, zo wordt het doek een voertuig van de geest.
Is dan de zon niet méér dan dat: een grote bol van brandend gas
Waarvan het wezen is te vangen in formules of een bekerglas?

Wat zegt de molecuulstructuur van brons ons over het plastiek
Dat er van werd gegoten? Ongrijpbaar trilt de hemelse muziek
Van Apolloon in de atomen, en in de diepe, zwarte nacht
Van zijn verborgen rijk troont Hades nog, het raadsel van zijn macht

Onaangetast, en zichtbaar voor geen ander dan het geestesoog
Waarin het stof van deze wereld wordt tot wat het is: een boog
Van kleur als in een Rorschachtest: de vlekken inkt in zwart, in rood,
In blauw, worden een clown, een heiligbeen, een vlinder van de dood.

 

Marcellus Wick