HET LIED VAN DE WOLF

Waken, slapen, dromen, dood…
is alles niet een dromen?
Gewichtloos als een fantasie;
waarachtig als een spiegeling
die groots haar schitter van fantomen
spreidt over een moddersloot?
Een glimlach ‘s nachts, een zucht: de waan
van liefde, het begeren
van erkenning, roem of macht:
Dat alles is een schimmenjacht;
de ijdelheid van triomferen
over een fictief bestaan.

Terwijl het lichaam zelf niet méér
Verlangt dan dat de spijsverteringswegen zijn verzadigd,
Bouwt het brein, in haar verbeten
Hunkeren de aard te weten van haar zijn, gestadig
Aan een wereld van illusie en verzinsel
En heerst almachtig in haar eigen hersenspinsel.

Zo wedijvert de telefoon
met televisiepredikant,
met beursbericht, met avondkrant,
met blaaskwintet op luide toon;
verwerkt de ambtenaar rapporten
over woningnood en sport,
en formuleren professoren
elk hun eigen disparate
nutteloze theorie,
terwijl het hazenhart zijn ezelsoren
hangen laat naar veinzende politici
en machtsbeluste psychopaten.

In het koesteren van priesters, dichters,
Narren en geleerden verschilt de mens van ‘t redeloos beest:
De logos is zijn wezen.
Maar het verstand heeft geen gewicht. Geen massa heeft de geest;
Geen vorm of inhoud: niets. En toch is ze bij machte
Te bestaan door enkel en alleen maar een gedachte.

Als dat zo is, waarom dan zoveel dagen
Nog die zware, loden floers
Van zinsbegoocheling verdragen?
Is ’t niet beter dan, dat ik je voer
Diep in de lange nacht die ligt
Voorbij dit leugenachtig droomgezicht?

Wees stil. Dat niets meer, geen geluid
Ons stoort als ik je ogen sluit.

 

Marcellus Wick