Goulash – een smakelijke geschiedenis (1)

 

goulash - een smakelijke geschiedenis

Dit is het verhaal van hoe de goulash, een obscuur stoofpotje van de koeherders van de poesta, het schopte tot een gerecht van wereldfaam dat tot in de verste uithoeken van de aardkluit bekend en geliefd is geworden. Ons verhaal begint echter niet rond een een kampvuurtje op de vlakte van nergenshuizen, Hongarije, maar in de bruisende hoofdstad van het rijk van de Habsburgers: Wenen, en wel op 29 november 1780, toen keizerin Maria Theresia haar laatste adem uitblies en haar oudste zoon Jozef II, sinds 1765 mede-regent, de alleenheerser werd over het uitgestrekte Habsburgse Rijk. Dat rijk bestond uit een door de eeuwen heen bijeen gesprokkeld allegaartje van landen en volkeren, van Hongaren tot Italianen, van Oekraïners tot Vlamingen en alles wat ertussen zat. Keizer Jozef II was een kind van de Verlichting, die het beste voor had met zijn onderdanen. Hij was er rotsvast van overtuigd dat het welzijn van de staat en haar burgers gebaat was bij een krachtig centraal bestuur, wat zorg zou kunnen dragen voor de bevordering van handel en landbouw, en daarmee het geluk en de welvaart van haar onderdanen. Wat hem voor ogen stond was een eenheidsstaat waar het Duits de voertaal was, en daarvoor moesten de eeuwenoude rechten van de afzonderlijke kroonlanden, de kerk en de adel wijken. Dat bracht hem in conflict met zowat iedereen die een vinger in de keizerrijkse pap te brokkelen had, niet in de laatste plaats met de Hongaarse adel, die bepaald niet gecharmeerd was van deze nieuwlichterij. Ook het volk was niet gelukkig met Jozef’s onbeteugelde regelzucht, die zich niet beperkte tot de grote lijnen. Niet minder dan 6000 edicten en 11000 nieuwe wetten vaardigde de keizerlijke regelneef uit, waarin ieder detail van het openbare leven van voorschriften werd voorzien, van het aantal kaarsen dat tijdens de mis mocht worden aangestoken tot een verbod op het dragen van korsetten en het eten van pepernoten. Op de naleving van al die voorschriften werd toegezien door een uitgebreid politie-apparaat, door de keizer in het leven geroepen om te verzekeren dat geen van zijn onderdanen zich zou onttrekken aan zijn heilzame zorgen.

Waren een aantal van die maatregelen, zoals de afschaffing van de lijfeigenschap en de hervorming van het strafrecht, bij het grootste deel van zijn onderdanen populair, over twee grieven was de verontwaardiging algemeen. De eerste was dat de keizer weigerde om zich tot koning van Hongarije te laten kronen, waarmee hij vermeed de eed te moeten afleggen die hem zou verplichten om de oude Hongaarse rechten en privileges te verdedigen. Niet alleen weigerde hij de Heilige Stefanskroon op zijn hoofd te zetten, hij deinsde er zelfs niet voor terug om het kleinood “buiten het weten en de wil van het rijk”, zoals de klacht luidde, naar Wenen te laten brengen, waar hij het achter slot en grendel bewaarde “alsof het zijn eigendom was”. Dat op zich was al erg genoeg, maar de lont in het kruitvat was iets waar tot op dat moment niemand ook maar het minste probleem mee had gehad: de Duitse taal.

© 2016, M.S.F. Wick

volgende pagina

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *