Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867 (7)

7 – ONTNUCHTERING

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867
De niet aflatende Juárez daargelaten, zou de berg aan problemen die de nieuwe heersers wacht zelfs de zonnigste van alle optimisten hebben ontmoedigd. Naderhand schrijft Maximiliaan, in een brief aan de Franse financiële adviseur Langlais, wat hij aantrof: “slechts een tiende van het land was gepacificeerd. Op onze hielen, twee uren achter ons, betwistte Porfirio Diaz ons de weg naar de hoofdstad. De schatkist was compleet leeg. Een nationaal leger bestond niet. Talrijke ongedisciplineerde bendes, verzameld onder de naam van hulptroepen, verslonden de middelen. Ik had weinig tijd nodig om getroffen te worden door de chimaera van het bouwwerk, en om te begrijpen hoe zeer men misbruik had gemaakt van het vertrouwen van keizer Napoleon.” Desondanks komt het hem als de meest urgente taak voor om het kasteel van Chapultepec, dat hun “Mexicaanse Schönbrunn” moet worden, te verbouwen. Hij ziet geen reden om te bezuinigen: een charmant klein theater wordt toegevoegd aan de plannen en een lange boulevard “zoals de Champs Elysées” zal het kasteel gaan verbinden met het Plaza Mayor in de stad.

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867
En dan, nauwelijks twee maanden na zijn aankomst, draagt hij het bestuur over aan zijn vrouw en verlaat de hoofdstad voor een lange rondreis door zijn nieuwe land. Het zware escorte van Franse cavalerie dat hem begeleid is geen overbodige luxe. Voor het eerst begint de waarheid achter de “stem van het volk”, waarop hij zo had aangedrongen als voorwaarde voor het aanvaarden van de troon, tot hem door te dringen: “de bevolking was zeer heetgebakerd en, toen we vertrokken, erg gevaarlijk”. Daarenboven is hij geschokt overal corrupte rechters en immorele geestelijken aan te treffen. “Ik stelde vast dat dit Mexico erg verschilde van het Mexico dat men ons beschreef in Miramar.” Na zijn terugkeer begint hij meteen met het opstellen van instructies voor de prefecten. Maar in plaats van klaar en duidelijk de problemen te benoemen schrijft hij een waarachtige roman waarin banditisme, omkoping, religie, landbouw, de staat van de wegen, de verbetering van het equine ras, de zoektocht naar mineralen, het verlaten van onbebouwd land en scholing in opperste wanorde over elkaar heen tuimelen. Dan, in zeven enorme folianten, legt hij zijn nieuwe wetten neer, in een poging tot een onmiddellijke oplossing van problemen te komen die zo groot zijn dat er meerdere generaties voor nodig zouden zijn.

“Opnieuw”, zo schrijft Charlotte vol bewondering, “getuigt Max van een ongewone wijsheid. Wat hij heeft gedaan voor de prefecten is een voorbeeld van alles wat men liberaal, nobel en rechtvaardig zou kunnen noemen.”

Liberaal, nobel en rechtvaardig. Hier is in drie woorden de onmogelijkheid van Maximiliaan’s politiek. De conservatieve partij, die hem op zijn troon heeft geholpen, zit niet te wachten op liberaal, nobel en rechtvaardig: ze wil gewoon haar bezit en haar status terug. De Fransen, van wiens leger zijn troon afhangt, hoeven ook geen liberaal, nobel en rechtvaardig: zij willen hun geld terug, en daar bovenop de controle over de economie van Zuid-Amerika, als ze ermee weg kunnen komen. En de liberalen, de enigen die liberaal, nobel en rechtvaardig willen -of tenminste roepen dat ze dat willen-, willen niets te maken hebben met de troon, noch met degene die erop zit. Voor hen is hij niet meer dan een marionet van de Fransen en van de conservatieve onderdrukkers.

Maximiliaan kan zoveel wetten uitvaardigen als hij wil: er gebeurt helemaal niets zolang hij vast houd aan zijn beleid van tegenstanders het hof maken en medestanders van zich vervreemden. En op dit moment vormen zijn vrienden een groter gevaar voor hem dan zijn vijanden: de kwestie van de teruggave van het grondbezit van de kerk is compleet tot stilstand gekomen, en daarmee al het andere.

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867
Overigens slaat Charlotte bepaald geen slecht figuur als regentes: Gravin de Courcy, de vrouw van Bazaine’s stafchef generaal Roussel de Courcy, schrijft dat haar man vond dat de keizerin regeerde “…naar eenieder’s tevredenheid en tot voordeel van de algemene zaak (…) Ze houdt zeer van beweging, zowel van de ceremoniële taken als van de zorg voor politiek, zeer verschillend van haar echtgenoot, die van niets zo veel houdt als van kalmte, rust, en de betrekkelijke eenzaamheid die enkel is voorbehouden aan prinsen.”

Naarmate de problemen hem boven het hoofd groeien zal Maximiliaan steeds vaker van huis zijn: op rondreis, of in zijn haciënda in Cuernavaca, waar hij zich troost met wijn en jonge juffrouwen. Maar in plaats van zich gelukkig te prijzen dat hij het bestuur in zulke goede handen kan achterlaten maken de loftuitingen hem jaloers: Charlotte wordt terug in haar salon gecommandeerd.

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867Met spanning wachten de majesteiten op de komst van een pauselijke nuntius, mgr. Meglia. Maar als Max verwacht dat de paus zijn zaakgelastigde stuurt om de Mexicaanse bisschoppen aan het verstand te peuteren dat ze wat “water bij hun miswijn” moeten doen, staat hem een onaangename verrassing te wachten. Verre van het matigen van de eisen van de geestelijken doet de nuntius er nog een schepje bovenop. Volgens hem moet de kerk gewoon alles terugkrijgen, en dat zonder verantwoording af te moeten leggen aan wie dan ook, zelfs niet aan de keizer. Iedere poging om tot een vergelijk te komen wordt hooghartig en zonder discussie verworpen. De houding van de nuntius is zo extreem dat Max denkt dat hij niet goed bij zijn verstand is.

Charlotte: “Niets heeft me een beter idee gegeven van de hel dan dat gesprek, want de hel is niets anders dan een impasse zonder uitweg. Alles glijdt van die man af als van gepolijst marmer.“ Aan generaal Bazaine vertrouwt ze toe dat het “het beste zou zijn om de nuntius uit het raam te gooien”.

Mexico – de Franse Interventie en het 2de keizerrijk, 1862 – 1867
De houding van mgr. Meglia zou echter niemand hoeven verbazen die de moeite had genomen om naar de toenmalige stand van zaken in Italië te kijken, en, inderdaad, al helemaal niet de voormalige onderkoningen van Lombardije. Op 15 september 1864 komen de Fransen met Piedmonte overeen om de twee regimenten terug te trekken die ze in de eeuwige stad hebben ter bescherming van de paus. Dit zou onvermijdelijk tot de annexatie van het patrimonium van St. Pieter leiden door het nieuwe, verenigde Italië. De belegerde paus, wiens wereldlijke macht als vorst van de Kerkelijke Staat aan een zijden draadje hangt, antwoordt met een encycliek op 8 december: “Quanta Cura” (“met hoeveel zorg”) waarin hij, met het reactionaire irrealisme van de wanhopige, zo ongeveer elk modern idee verfoeit, zoals vrijheid van meningsuiting, vrijheid van geweten, van godsdienst, van onderwijs; het principe van voorrang van de staat boven de kerk, de ideeën van liberalisme, van socialisme, en zo voort en zo verder. Bijzonder onverteerbaar vind Zijne Heiligheid de gedachte dat “de geestelijke dienaren der Kerk en de paus van Rome geheel uitgesloten moeten worden van alle beheer en eigendom van tijdelijke zaken”, en: “dat in de staatkunde voldongen feiten, alleen daardoor, dat zij voldongen zijn, kracht van wet bezitten”. Vanaf nu heeft de paus nog maar één antwoord voor iedereen, inclusief keizer Max: “non possumus”.

De Kerk mag zich onbuigzaam tonen, Max doet er niet voor onder. Hij verklaart zijn intenties om de wetten van Satan Juárez betreffende de nationalisatie van kerkelijk bezit en het toelaten van andere godsdiensten te ratificeren. Nog vóór zijn eerste jaar als staatshoofd voorbij is, is het hem gelukt om de geestelijkheid aan zijn groeiende lijst van tegenstanders toe te voegen.

En nu, in al zijn onervarenheid en onhandigheid, maakt hij zich op om de Franse bevelhebber, Achille Bazaine, inmiddels bevorderd tot Maarschalk van Frankrijk, tegen zich in het harnas te jagen.
 

©2010, Marcel Wick

vorige pagina

volgende pagina