WIEGELIED

De dag is stiekem weggegaan.
Geruisloos is ze, fluisterzacht
Als door je vingers heen gegleden
In het duister van de nacht.
Nu is ze weg, en het beloken,
trouweloze schemerlicht
Vervreemdt nu de vertrouwde dingen.
Doe nu snel je ogen dicht
Want je moet slapen, slapen gaan,
Dromen van de lieve maan.

De dag is als op kousenvoeten
Weggeglipt, en langs de grauwe
Muren kruipt nu stil de nacht
Voorbij, maar kijk niet op! In ’t blauwe
Licht, de adem ingehouden,
Roerloos, haast onzichtbaar, staan
De schimmen daar en wachten,
Wachten. Slapen gaan!
Droom van iets: de zon, de maan,
Maar slapen moet je! Slapen gaan!

De dag is weg, en alles, alles
Is versmolten met de nacht
En ontzagwekkend staan de reuzen
Zwart en dreigend daar, de vacht
In ruige plukken op hun kale
Voze huid, en stil en groot
En onbewogen grijnzen ze
Hun rotte tanden bloot.
O, ga nu slapen! Slapen gaan!
Nu in godsnaam slapen gaan!

Marcellus Wick